Een Sukhothai-boeddha loopt, een Ayutthaya-boeddha draagt een kroon
In dit artikel:
De geschiedenis van de Thaise Boeddhabeeldhouwkunst begint niet bij de Thai. Tussen de zesde en elfde eeuw maakten de Mon in de centrale vlakte beelden van steen en stucwerk. Vanaf de elfde eeuw kwamen daar Khmer-invloeden bij, vooral in Lopburi. Die beelden hebben vaak een gestapelde lotuskroon, lange oorlellen en een lichte glimlach. Een bekend motief is de Boeddha die door een naga, een mythische slang, tegen de regen wordt beschermd. In het noorden ontstond daarnaast een stijl met ronde, volle gezichten; de oudste gedateerde voorbeelden daarvan stammen uit de vijftiende eeuw.
In Sukhothai kreeg de beeldhouwkunst vanaf de dertiende eeuw een eigen karakter, mede door de komst van het theravada-boeddhisme uit Sri Lanka. Beelden kregen een ovaal gezicht, fijne krullen en vaak een vlam op de kruin. Anatomische details werden bewust beperkt, omdat de Boeddha niet als gewoon mens moest worden afgebeeld. Het bekendste motief is de lopende Boeddha, met een lichte S-vorm in het lichaam. Een beroemd voorbeeld is de gouden Boeddha van Wat Traimit in Bangkok. Het drie meter hoge beeld zat eeuwenlang onder pleister verborgen en werd op 25 mei 1955 tijdens een verhuizing onthuld toen de bekleding barstte.
Tijdens het koninkrijk Ayutthaya, dat van 1350 tot 1767 bestond, werd de Boeddha vaak afgebeeld als een vorst, met kroon, sieraden en sjerpen. Ook handgebaren en lichaamshoudingen kregen een belangrijke betekenis. De meest voorkomende houding toont de Boeddha met één hand op de knie en de andere in de schoot: hij roept daarmee de aarde als getuige aan tijdens zijn strijd met de demon Mara. In de negentiende eeuw koppelde prins-monnik Paramanuchitchinorot verschillende houdingen aan de dagen van de week. Die beelden staan nog steeds in veel tempels; woensdag kent aparte beelden voor overdag en ’s avonds.
Na de val van Ayutthaya brachten de eerste Chakri-koningen duizenden oudere beelden naar Bangkok. Een opvallende stijlbreuk kwam in 1830, toen de latere koning Rama IV een beeld naar Sri Lankaans voorbeeld liet maken zonder de traditionele schedelknobbel. Later liet hij er alsnog een vlam op plaatsen. Zijn zoon Rama V liet in 1901 een kopie van een beroemd beeld uit Phitsanulok gieten voor Wat Benchamabophit, met brons van omgesmolten kanonnen.
Moderne reuzenbeelden, zoals de 92 meter hoge Boeddha van Wat Muang en de 45 meter hoge marmeren Big Buddha van Phuket, leggen vooral de nadruk op omvang. Wie een beeld uit Thailand wil uitvoeren, moet bovendien rekening houden met de wet van 1961. Voor antieke en kunstvoorwerpen is vooraf toestemming van het Fine Arts Department nodig; losse onderdelen, zoals hoofden en handen, mogen het land niet uit vanwege hun beledigende betekenis en de link met tempelplundering.
Vandaag Inside: Noa Lang was dicht bij terugkeer naar Eredivisie-club: 'Dat weet iedereen toch...'