Zijn farangs welkom in Thailand?
In dit artikel:
Een Nederlander die al zes jaar in Thailand woont, onderzoekt aan de hand van eigen ervaringen of permanente buitenlandse inwoners – vaak ‘farangs’ genoemd – zich er welkom kunnen voelen. Zijn conclusie is overwegend positief, vooral in de Isaan, al erkent hij dat ervaringen per regio en persoon verschillen.
Tijdens een ziekenhuisbezoek kreeg een buitenlandse patiënt vermoedelijk voorrang boven zijn Thaise vrouw. Ook zelf ervaart de schrijver soms een vorm van positieve discriminatie: op de markt wordt hij vriendelijk of sneller geholpen, bij voetbal krijgt hij extra applaus en tijdens Songkran behandelen mensen hem en zijn vrouw met respect. In de Isaan blijft het feest bovendien meestal beperkt tot het ceremonieel wassen of besprenkelen van de handen, zonder dat hij volledig wordt natgespoten.
Volgens de schrijver biedt Thailand buitenlanders daarnaast veel betaalbare of gratis voorzieningen. Deelname aan een voetbalcompetitie, het gebruik van sportvelden, de 90-dagenmelding en verschillende administratieve documenten kosten niets. Voor een Thais rijbewijs betaalt hij hetzelfde lage tarief als Thai, terwijl ook de onroerendezaakbelasting gering is. Ouderen kunnen korting krijgen op binnenlandse vluchten en openbaar vervoer. De inkomstenbelasting en btw zijn laag, evenals de kosten voor elektriciteit, benzine, kookgas en dagelijkse diensten. Daardoor ligt het prijsniveau veel lager dan in Nederland, al betekent de beperkte belastingdruk ook dat inwoners vaker zelf familie of anderen financieel moeten helpen.
De positieve ervaringen zijn volgens hem niet overal vanzelfsprekend. In toeristische gebieden kunnen farangs minder geliefd zijn door wangedrag van sommige bezoekers en door jaloezie over hun vermeende rijkdom. Dat kan leiden tot hogere prijzen of corruptie, bijvoorbeeld wanneer agenten liever geld aannemen dan een officiële boete uitschrijven. In zijn eigen omgeving en bij overheidsinstanties zoals Immigration heeft hij daar naar eigen zeggen weinig van gemerkt. Ook een Thaise partner kan financiële problemen veroorzaken wanneer die een buitenlander uitbuit, al ligt het volgens hem soms eveneens aan de houding van de farang zelf. Wie voortdurend vanuit een Nederlands idee van strikte gelijkheid reageert op voorrang of soepelheid in het verkeer, kan zich volgens de schrijver onnodig ergeren. In Thailand draait het meer om geven en nemen.
Veel klachten van farangs vindt hij daarom niet volledig terecht. Hoge premies voor ziektekostenverzekeringen zijn volgens hem vooral een gevolg van kostendekkende verzekeringen en niet iets waarvoor Thailand verantwoordelijk is. Het verbod voor de meeste buitenlanders om grond te bezitten verdedigt hij als bescherming tegen grootschalige buitenlandse opkoop, ook al kan de regeling individuele farangs benadelen. De voorwaarden voor verblijf vindt hij logisch, omdat buitenlanders niet door de Thaise overheid zijn uitgenodigd, al kunnen dalende wisselkoersen schrijnende situaties veroorzaken. De sterke baht wijt hij bovendien eerder aan internationaal economisch beleid dan aan Thailand.
Dat buitenlanders in nationale parken vaak meer betalen dan Thai, ziet hij als een bewuste vorm van toeristenbelasting. De lage Thaise toegangsprijs is bedoeld om parken voor de eigen bevolking toegankelijk te houden; het hogere tarief voor buitenlanders helpt de kosten te dekken. Verschillende menukaarten voor farangs en hogere offertes van aannemers noemt hij uitzonderingen of een gevolg van de inschatting dat iemand rijk is, iets wat volgens hem ook in Nederland kan gebeuren.
Tegenover de lage belastingen staat volgens de schrijver een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Omdat de Thaise overheid minder sociale voorzieningen kan financieren, helpen Thai vaak familieleden en soms buurtgenoten rechtstreeks. Van farangs wordt in de praktijk al verwacht dat zij hun partner en soms diens familie ondersteunen. Wie voldoende financiële ruimte heeft, kan volgens hem ook anderen helpen, bijvoorbeeld met een renteloze lening, maar moet alert blijven op misbruik.
Hij raadt niet iedereen aan naar Thailand te verhuizen. Wie tevreden is in Nederland kan daar beter blijven, en wie daar niet kan aarden, zal dat in Thailand waarschijnlijk evenmin doen. Voor mensen met een goede reden om te vertrekken, luidt zijn slotconclusie echter dat Thailand een welkom thuis kan zijn.
Vandaag Inside: Albert Verlinde In de Wandelgangen: 'Dat ik dat ooit zou zeggen, dat zou je nooit geloven'